Versoepeling bemanningssterkte voor binnenvaartschepen

Door een aanpassing van de binnenvaartregeling is de bemanningsregeling voor kleinere binnenschepen per 1 januari 2011 versoepeld.

Vanuit de projectorganisatie “Toekomst klein schip”, een samenwerkingsverband tussen het Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart, het Kantoor Binnenvaart en de Vereniging van Waterbouwers was ingezet om deze versoepeling te realiseren.

Een van de actiepunten van het rapport ‘Toekomst klein schip in de binnenvaart’ (2008) was een verkenning voor de vervanging van de matroos door een lichtmatroos/deksman op kleinere binnenvaartschepen. Zo kunnen de exploitatiekosten van kleinere schepen, waarvan de personeelskosten steeds een substantieel onderdeel uitmaken, worden verminderd. Deze versoepeling is nu dus per 1 januari 2011 gerealiseerd.

De versoepeling heeft alleen geldigheid binnen Nederland en is op de Rijn, de Waal en de Lek slechts van toepassing voor het zogenaamde Rijnkruisende scheepvaartverkeer. Dit is het scheepvaartverkeer beneden het Spijksche Veer (km 857,40), dat de grens tussen Nederland en Duitsland, in de ene of de andere richting, niet overschrijdt.

Wijziging Binnenvaartregeling
In artikel 5.21 van de Binnenvaartregeling worden nieuwe leden ingevoegd, waarin voor motorschepen en hechte samenstellen die een lengte hebben van 86 meter of minder vrijstelling wordt gegeven van de in artikel 5.6 geregelde bemanningssterkte. Tot nu toe bevatte artikel 5.21 alleen vrijstellingen van de bemanningregeling uit artikel 5.6 voor motorschepen en hechte samenstellen met een lengte van meer dan 86 meter. Deze vrijstellingsregeling is voor de nieuwe regeling als uitgangspunt genomen.

Een voorwaarde voor de vrijstelling is dat een motorschip of hecht samenstel, blijkens een verklaring van de minister voldoet aan de eisen van de Standaard S2, zoals opgenomen in artikel 23.09 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995. Ook een voorwaarde is dat het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, wanneer slechts met twee bemanningsleden wordt gevaren. Verder moet het schip bij het begin van de vaart vaarklaar zijn en mogen tijdens de vaart geen werkzaamheden worden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip, mits met meer dan twee bemanningsleden wordt gevaren. De eis dat het schip moet zijn uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar in zijn algemeenheid niet nodig voor schepen met een lengte van 86 meter of minder.

Samenstelling bemanning

  • Voor de vaart met motorschepen of hechte samenstellen met een lengte van 70 meter of minder, waarmee volgens de exploitatiewijze A2 wordt gevaren, kan voor wat de bemanning betreft worden volstaan met een schipper en een stuurman, in plaats van met twee schippers
  • Voor de vaart met motorschepen en hechte samenstellen met een lengte meer dan 70 maar ten hoogste 86 meter, waarmee volgens de exploitatiewijze A1 wordt gevaren, kan worden volstaan met een schipper en een matroos, in plaats van met een schipper en een volmatroos, of in plaats van met een schipper, een matroos, en een lichtmatroos
  • Voor de vaart met motorschepen en hechte samenstellen met een lengte meer dan 70 maar ten hoogste 86 meter, waarmee volgens de exploitatiewijze A2 wordt gevaren, kan worden volstaan met een schipper, een stuurman en een lichtmatroos, in plaats van met twee schippers

Voor de gehele wijziging van de Binnenvaartregeling kunnen we verwijzen naar de publicatie in de Staatscourant van 31 december 2010: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2010-20385.html