Succesvolle Regiobijeenkomsten

Succesvolle Regiobijeenkomsten

'Duurzaamheid kan het succes van waterbouwend Nederland bepalen'

Wat speelt er in Nederland op het gebied van duurzaamheid, welke wet- en regelgeving is er op dit moment rondom verduurzaming van de binnenvaart en in hoeverre willen de waterbouwers concurreren op carbon? Tijdens de regiobijeenkomsten van de Vereniging van Waterbouwers is volop aandacht besteed aan de manier waarop duurzaamheid toegepast kan en moet worden binnen de waterbouwvloot.

"We zijn nog maar net begonnen", zegt Edwin Lokkerbol, directeur van de Vereniging van Waterbouwers. “Toen we twee á drie jaar geleden over duurzaamheid spraken, hadden we het over CO2-reductie en uitstoot van motoren. Tegenwoordig denken we dat duurzaamheid wel eens een van de belangrijkste factoren kan worden die mede het succes van waterbouwend Nederland bepalen." Om meer te weten te komen over wat er op dit moment speelt op het gebied van energiereductie heeft de vereniging Rob de Groot van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitgenodigd.
“Op dit moment is het verdrag van Parijs nog een heel leidend motief. Maar dit is erg gestuurd op CO2", vertelt De Groot. “Voor ons ministerie kijken we daarom voornamelijk naar duurzaamheid waarbij CO2-reductie het hoofddoel is. Luchtkwaliteit en gezondheid zijn echter ook erg belangrijk." De ambitie van het energieakkoord uit 2013 is een energiereductie van 60 procent. Na het verdrag van Parijs is die ambitie echter toegenomen naar een reductie van 95 procent."

Zee- en luchtvaart
De Groot: “In Parijs is afgesproken dat zee- en luchtvaart niet worden meegenomen. Wij als ministerie kijken er wel naar, maar we mogen het straks niet mee laten tellen voor Parijs." Lokkerbol vult aan: “De IMO, de International Maritime Organisation, heeft aangegeven dat het geen goede zaak is dat zeevaart geen onderdeel is van het Parijse klimaatakkoord. Na langdurige onderhandeling hebben ze zich akkoord verklaard met een reductie van 50 procent. Ook zeevaart zal zich internationaal moeten conformeren." De vraagt blijft volgens Lokkerbol hoe er door de waterbouwers invulling gegeven kan worden aan de doelstellingen voor energiereductie. “Wij hebben schepen die niet van A naar B gaan", zegt Lokkerbol. “Hoe gaan wij duidelijk maken op welke manier wij CO2uitstoot gaan monitoren, als het niet aan een afstandsbepaling als gevaren zeemijl opgehangen kan worden? Zowel met betrekking tot zout als zoet hebben we nog ongelooflijk veel missiewerk te doen. Veel hiervan is overigens wel al ingezet."

Wet- en regelgeving
Als tweede spreker op deze regiobijeenkomst bespreekt Chantal Schillemans van de Kerngroep Nautische Zaken (KNZ) de vergroening van de binnenvaart. De KNZ screent nautisch technische wet- en regelgeving op waterbouwbelangen. “Duurzaamheid is een onderwerp dat momenteel ontzettend in de belangstelling staat." De kerngroep denkt daarom hard na over de vergroeningskoers van de waterbouwers: “Hoe gaan we dit oppakken en hoe gaan we dit uitwerken? In de branche gebeurt er veel op het gebied van duurzaamheid en vergroening." Schillemans ziet een duidelijke toename in binnenvaartonderwerpen. Door het opnemen van drijvende werktuigen als wettelijke definitie is de positie van de waterbouwvloot voorgoed veranderd. “Meer dan ooit moeten we kijken of en in hoeverre toekomstige regelgeving en wetgeving van toepassing is op drijvende werktuigen."

Meten aan de pijp
Een duidelijke verandering is de NRMM-verordening. Deze verordening is per 1 januari 2017 van kracht voor alle niet voor de weg bestemde mobiele machines, welke zijn voorzien van verbrandingsmotoren. Per 1 januari 2019 moeten nieuw aangeschafte hoofd- en hulpmotoren in de binnenvaart met een vermogen onder de 300 kW voldoen aan Fase V. Voor nieuwe hoofd- en hulpmotoren met een vermogen boven de 300 kW gaan de Fase V emissie-eisen per 1 januari 2020 in.

Wanneer het uitwisselen van materiaal met motor binnen de vloot wordt aangemerkt als nieuwe motor, dan dienen ook vanaf 2019/2020 de bestaande motoren te worden vervangen door motor Fase V. Meten aan de pijp zou een duurzame oplossing kunnen zijn voor bestaande grote motoren, zodat deze voldoen aan Fase V en de daarbij behorende emissiewaarden", legt Schillemans uit. De emissiewaarden in de NRMM-verordening, die niet toeziet op CO2, maar op koolmonoxide, koolwaterstoffen, stikstofoxide en fijnstof, staan vast.

“De vereniging vraagt de Nederlandse overheid om rekening te houden met de diversiteit van de waterbouwvloot. De atypische waterbouwvloot is in het vergroeningstraject niet voldoende zichtbaar. De waterbouwers zouden daarom kunnen deelnemen aan de pilot 'meten aan de pijp', waar data verzameld wordt aan de hand waarvan toekomstig emissiebeleid kan worden vastgesteld." Er is inmiddels een werkgroep vergroening in de waterbouw opgericht met leden uit de Kerngroep Markt, de Werkgroep Duurzaamheid en de Kerngroep Nautische Zaken. Deze werkgroep zal dan gaan onderzoeken of en onder welke voorwaarden de vereniging aan de pilot “meten aan de pijp" zou willen deelnemen.

Referentie footprint
Jeroen Gijzen, voorzitter van de Werkgroep Duurzaamheid, is de derde en tevens laatste spreker. "De doelstelling van de Vereniging van Waterbouwers is niet alleen het voeren van discussie, maar ook om te kijken hoe we iets met duurzaamheid in zijn algemeenheid kunnen doen. Duurzaamheid is veel meer dan alleen CO2-reductie", houdt Gijzen de aanwezigen voor. "Wat is de zienswijze van de waterbouwer om te concurreren op CO2? Het is ook een van de vragen van Rijkswaterstaat, of wij willen concurreren op carbon. De CO2-prestatieladder geeft ons niet voldoende reductie om de doelstellingen te behalen." Volgens Gijzen zullen de duurzame maatregelen die nu door waterbouwers getroffen worden, op termijn als standaard manier van werken worden gezien. Dit zal dus ook geen (fictieve) korting opleveren. "De vraag is alleen nog hoe de opdrachtgever de referentie footprint gaat vormgeven aan de hand waarvan de korting wel of niet gegeven wordt. Duidelijk is wel dat de klimaatneutrale doelstelling van Rijkswaterstaat niet gelijk staan aan nul, er zit nog ruimte in om te compenseren voor uitstoot. Maar hoe moeten wij dat doen en wat wordt de referentielijn? De flexibiliteit ligt compleet bij de markt." Ook monitoring en handhaving blijft volgens Gijzen een lastig verhaal.

Hetzelfde schuitje
"In de praktijk zul je in de tenderfase de inzet van het materiaal meten om te kijken waar je zit ten opzichte van de referentie footprint. Maar in het leveren van de bewijslast zit nog wel een uitdaging. Want hoe meet je bijvoorbeeld hoeveel liter brandstof er uiteindelijk verbruikt is?", stelt Gijzen. "Of je dat nu zelf doet of bij de opdrachtgever, er is altijd wel een ingang om extra brandstof tussendoor te verkrijgen." Het wordt volgens Gijzen nog lastiger wanneer je tussendoor werkt aan een andere opdracht. "Het zit hem daarom veel meer in het loggen van het brandstofgebruik in combinatie met de locatie." Hij stelt dat de waterbouwers nu goed moeten nadenken over hoe dit soort zaken ingevuld kunnen worden, in plaats van dat er algemene regels opgelegd worden die nadelig uitpakken. "Je moet hoe dan ook uiteindelijk toch naar nul. Wat dat betreft zitten we allemaal in hetzelfde schuitje."